Auteursarchief: Vera

De zabberslak


Wie zabbert in de schele nacht
en heeft dan twee keer bezemkracht
waardoor ze vaak al nokkels brak?
Het is de zabberslak.

Tekening Jaap van den Born


Wie zoeft er fluks het maanlicht door
met een reflector op haar oor
en knipperfrikkels op haar dak?
Het is de zabberslak.

Als ’s ochtends vroeg de zon verschijnt,
wie is de eerste die verdwijnt,
nog één keer zabbert, zij het zwak?
Het is de zabberslak!

De zwerkbaril

tekening van Jaap van den Born

De vreselijke zwerkbaril
is echt van niémand bang.
Nee, zelfs niet van de sidderil,
die jaagt hem pas op stang!

Hoe sterk de vijand, groot zijn kop,
hoe fel zijn schrikkels branden,
de zwerkbaril blijft fier rechtop
en schrobt zijn valse tanden.

Maar hoort hij plots een schrille roep
die kringelt uit de struiken
tezamen met de geur van poep?
Dan zwerkt hij wat hij zwerken kan…

hij vreest het groenpoepkuiken.

Dag twee


Het nieuwe jaar is nauwelijks begonnen.
We zijn dag twee, de kerstboom staat nog uit.
De glitterstickers juichen op de ruit
en elkeen heeft de tombola gewonnen.

Drie flessen wijn, een sjaal, twee Bongobonnen,
je schaamt je, maar denkt toch: een leuke buit!
Je ruimt – alweer – de keuken op en fluit
een kerstlied, nietsvermoedend, onbezonnen.

En plots word je, als elk jaar, plat geslagen
door moedeloosheid bij het nieuw begin.
Je vreest dit jaar, de maanden, weken, dagen

met evenveel of even weinig zin
als die daarvoor met net dezelfde plagen.
En ook dit jaar zeg je: omhoog die kin!

De enige echte

Wellicht is dit de laatste keer
dat jij je schoen zet bij de haard.
Je hebt wel door dat zo’n meneer
die uit een auto stapt, het paard

op stal laat, mijter, witte baard,
een gouden staf en wat nog meer
in zijn verkleedkoffer bewaart,
dat die omwille van de sfeer

de grote vriend van ieder kind
wil imiteren. Elke klaas
en elke schoensmeerzwarte piet

die men in warenhuizen ziet,
is vals, dat weet de domste dwaas.
Vannácht komt pas de échte Sint!

(2006)

Il est deux heures vingt

il est deux heures vingt
déjà
les ombres s’allongent
dans le jardin
et là, au loin, passera le train
coupant le paysage en deux
et ce jour pâteux

Alkoven van de slaap II

hoewel het beschrijfbaar deel van mijn geheugen
binnen handbereik in het nachtkastje lag
dacht ik ook zonder aanknippen van licht
te kunnen onthouden wat onontbeerlijk leek

helaas

hoe ik ook de nissen van mijn verbeelding betast
ik voel niet waar ik stenen uit kan breken
geen gleuf waar een pincet in past
slaap kan overtuigend zwijgen