Categorie archief: In vrije vorm

Alkoven van de slaap II

hoewel het beschrijfbaar deel van mijn geheugen
binnen handbereik in het nachtkastje lag
dacht ik ook zonder aanknippen van licht
te kunnen onthouden wat onontbeerlijk leek

helaas

hoe ik ook de nissen van mijn verbeelding betast
ik voel niet waar ik stenen uit kan breken
geen gleuf waar een pincet in past
slaap kan overtuigend zwijgen

Alkoven van de slaap I

ik droom haar – nogmaals – tot leven
met donker krullend haar en bleke huid
waarop restanten van een sproetenknal
een moederlijk heelal, uitdijend
in de gezichten van mijn kinderen

ze praat en lacht
onwetend van de aftakeling
die komt, daar ben ik zeker van
daar helpt geen praten tegen
geen lachend schudden met het gezonde krullenhoofd

hoe een mens, zelfs slapende, zijn dromen niet gelooft

De vlaag

Vlieger2
hij maakte haar een vlieger
met lichte houten latjes
en bruin boterpapier
tekende ogen, neus en mond
wat het kind zo grappig vond
knoopte een staart met strikjes

toen ging hij rusten:
het was zondag

’t kind kon niet wachten
en moeder, zelf nog meisje,
pakte spoel en koord
vader sliep wel voort

kleine benen draafden door het veld
strikjes dansten in de wind
net als de vlechtjes van het kind
tot de vlieger met geweld
werd meegesleurd en even snel
teruggegooid

de rouwstoet trok naar huis
geknakt, geschonden, waardeloos ding
wisten zij zich
nog vóór de tweede vlaag
die volgen ging

illusie

plaveien tellen stappen
zij doet ze maal twee
de zon wijst bloemen aan
even blijft ze staan en ruikt
hoe zij in zijn gedachten geurt

samen speuren ze
elk op zijn breedtegraad
naar overvliegend tuig
dat witte winden laat
in het blauw

ze knoopt het vliegertouw
waaraan hun huis
te wapperen hangt
rond haar brievenbus

ze ziet het gordijn bewegen
en zwaait met beide armen
haar schaduw wuift terug

1 november

1 novemberZoals elk jaar zoeken in de lanen
naar haar leegstaand rijtjeshuis.
Het is al lang niet meer de verse kuil,
de omgewerkte aarde, de bouwput
van mijn wolkenkrabbend verdriet.

Ik plaats het bloemstuk met chrysanten
op de marmeren stoep.
Dit huis is doods,
hoewel er licht brandt in de lantaarn.

Ze was nooit de porseleinen foto, die ik koos.
Ze is de handtekening op elk vergeeld schoolrapport.
Ze is mijn handgebreide trui, modieus…
zo’n twintig jaar geleden.
Ze is het zelf geschreven reçuutje “ijscreem 10 frank”
uit het presmileytijdperk.
Ik weet niet meer welk studievak,
toen ze dat ijsje naar mijn kamer bracht,
en of ik haar de dikke fooi gegeven heb
die ze verdiende.


(die twintig jaar geleden zijn er ondertussen al een dertigtal…)