Categorie archief: Sonnetten

Weerzien

“Ik zie je graag terug!” Je doet je best,
maar zekerheid kun jij me niet meer geven.
Stel dat ik in de tijd die jou nog rest
een knoop leg, een reservedeel aan leven.

Te elfder ure krijgen we de test,
laat dan de dood zich één maal tegenstreven
en wordt zo mijn gemis ultiem gelest?
Ontknoopt de tijd en krijgen wij nog even?

Wij die elkaar al lezend leerden kennen,
we namen afstand van het vals idee
dat vriendschap op een afstand nooit gedijt.

Dat jij nóg verder bent, wordt moeilijk wennen
al draag ik wat wij delen met me mee.
Het blijft een eind, hoewel het ons niet scheidt.

Tegendruppels

Ik leg mij toe op staren naar de regen.
Tenminste, als de zon het niet vergalt.
Bij blauwe lucht en witte wolken valt
dit genre staren immers danig tegen.

Nochtans ben ik de zon echt wel genegen
wanneer zij, maanziek, ijle liedjes lalt.
Voor mij zijn die te hoog (ik ben een alt),
dus neurie ik wat schaduw op de wegen.

Terwijl ik ga van schaduwvlek naar vlek,
zie ik de eerste regenplas verschijnen.
De weg te gaan krijgt snel de kleur van pek.

De klamme kilte slaat neer op mijn huid.
Ik ga naar huis, ik open de gordijnen
en staar naar tranen glijdend langs de ruit.

Minnetaal

Photo Jeff NelsonDe zoete minnetaal, die haar met hem verbond,
herhaalt hij nimmer meer, ze is verleden tijd.
Gegomd uit ’t manuscript, alsof ze nooit bestond,
gewist uit zijn geheugen, want ook dat verslijt.

Vervloekt de ganzenpen, die hij plots niet meer vond,
of was zijn nieuwe bode soms de weg weer kwijt?
“Hebt gij dan niéts gehoord, uit dez’ of gene mond?”
vraagt zij met zwakke stem aan Pluis, haar kamermeid.

Die spint vol medelij, het kopje in haar schoot.
De deern gooit het mobieltje ergens in een hoek.
Ze werpt zich op het bed en schreit daar zilte tranen.

Verbeten wil zij zich een personage wanen
dat treurend overlijdt in een historisch boek.
Tot plots, een kleine biep… Wie wil er dan nog dood?

(licentie voor gebruik foto)

Plezant

LeonidasHier zit ik dan, in zwart gepeins verzonken,
en leg me neer bij treurnis’ heerschappij,
want vriendschap die uitbundig werd geschonken,
leek op een dag de houdbaarheid voorbij.

Ik weet niet meer hoe onze stemmen klonken,
al liepen wij gestadig zij aan zij.
Een beeld dat, door de stroom des tijds verdronken,
mij plots weer overspoelt als bitter tij.

Ach, elke zee kent overslaande baren
en prikkend zout dat toch geen zwemmer let.
In plaats van naar dit druilerig sonnet
met uitgelopen inkt te blijven staren,

neem ik een zakdoek, koffie en pralinen.
Met chocola is het plezanter grienen.

Stad

maar hoog zag ik figuren dansen

maar hoog zag ik figuren dansen

We liepen over pleinen, straten,
ik zag wat ik nooit eerder zag:
mijn kennis van de stad vol gaten
en wát ik wist, niets meer dan rag.

Je wees omhoog terwijl we praatten.
Van al hetgeen daaronder lag,
nam ik toen voor het eerst de maten:
verteren, koopzucht, winstbejag.

Maar hoog zag ik figuren dansen,
twee gulden zwanen, schip en draak,
de klokken, imposante bogen.

Zo schenkt een ander nieuwe kansen,
of stelt het oude aan de kaak,
aan wie wil kijken met diens ogen.

De keus

Een vrouw beschouwt bevallingspijn
als leed van één geducht moment.
Doch wie de loop na ’t baren kent,
weet de verlossing enkel schijn.

De rust die spreekt uit knuistjes klein
raakt men als moeder snel gewend.
De roze wolk, u wel bekend,
verbiedt ons realist te zijn.

De liefde en aanhankelijkheid
van menig kind zijn fraai beschreven.
Maar kakbroek, drift, gehuil en nijd?

Ook dié zijn een gewis gegeven!
Vandaar: bezint eer ge weer vrijt,
de keus bepaalt uw ganse leven.

Behagen

Vanwaar die drang om te behagen,
om lief en leuk te willen zijn,
om steeds opnieuw me af te vragen:
“Doe ik het goed? Heeft men het fijn?”

Altijd die schrik dat men zal klagen,
gebreken vinden, groot of klein,
alsof het leven slechts kan slagen
wanneer het loopt in rechte lijn.

Gedaan met steeds me te herschikken
naar zíjn opinie, mij te plooien
naar háár ideeën of haar kuren.

Als ik dit dwaalbeeld wil doorprikken,
dit valse keurslijf af kan gooien,
moet ik alleen mezelf verduren.

Baar geld

Ze telt het geld aan haar loket,
heel minutieus, ’t is andermans.
De lottowinst, “Meneer had chance!”,
wordt door de klant opzijgezet.

Niet in een sok of onder ’t bed
(zo’n hobbel geeft de slaap geen kans),
de bank, zij breekt voor hem een lans:
met rente wordt het dubbel pret!

Maar als de dood komt aangewaaid,
staan vaders erfgenamen klaar.
Het goud wordt van de bank gegraaid.

“Ik draag het pa, voor jou te zwaar.”
Hij drinkt zijn laatst’ infuus, bekaaid:
’t is happy hour aan de baar…

En de boer…

Echt ál hetgeen waarover ik wil schrijven,
lijkt door een ander reeds zo goed beschreven.
’t Zijn steeds dezelfde thema’s die ons blijven,
die spelen in eenieders zelfde leven.

De liefde die we allemaal bedrijven,
de vriendschap die we aan elkander geven,
de jaloezie, het ruziën, het kijven,
de macht of het geluk waarnaar we streven.

En zelfs het feit dat niets er nog toe doet
als het moment van sterven is gekomen,
tot in den treure wordt ook dàt herhaald.

Vandaar dat ik slechts schrijf omdat ik moet.
Oorspronkelijkheid? Een zaak om van te dromen!
Toch ploeg ik voort, al is het land verschraald.

Niet langer

Frigo2Omdat ik het niet langer ga proberen
word ik misschien van slechte wil beticht.
Ik dacht het mettertijd te kunnen leren,
het vinden van de zin van een gedicht

dat er geen heeft. Maar nooit zag ik het licht,
kon ik de loze inhoud decoderen.
Het Ware Woord werd niet tot mij gericht,
ik zag geen reden tot applaudisseren.

Ligt het aan mij? Ben ik een stuk antiek,
dat houdt van koperglans en boenwasgeur,
van wandtapijt, kasteel en bladmuziek?

In elk geval hou ik van helderdaden.
Ik open zo meteen mijn koelkastdeur
en zié dan wat er ligt, hoef niet te raden.