Categorie archief: Sonnetten

De enige echte

Wellicht is dit de laatste keer
dat jij je schoen zet bij de haard.
Je hebt wel door dat zo’n meneer
die uit een auto stapt, het paard

op stal laat, mijter, witte baard,
een gouden staf en wat nog meer
in zijn verkleedkoffer bewaart,
dat die omwille van de sfeer

de grote vriend van ieder kind
wil imiteren. Elke klaas
en elke schoensmeerzwarte piet

die men in warenhuizen ziet,
is vals, dat weet de domste dwaas.
Vannácht komt pas de échte Sint!

(2006)

Kalme zee

Kalme zee (sonnet)Zo is het ons uiteindelijk vergaan:
als schepen zonder lading reizen wij.
Niet doelloos, neen, de sterren en de maan
zijn onze gids, zoals weleer toen zij

het trekken langs een vaste hemelbaan
aan ons als voorbeeld stelden. Ieder tij
bracht wrakhout mee uit onze oceaan.
Toch ging de dreiging, leek het, ons voorbij

toen wij voor anker lagen op de ree.
We deelden in de haven nog een kade
maar dan is elk een eigen koers gaan varen

alsof de trossen nooit verstrengeld waren.
Nu mijden we elkanders breedtegraden
en schrijven in ons logboek: kalme zee.

Stemmig landschap

het stemmig landschap van de Vlaamse Ardennen

het stemmig landschap van de Vlaamse Ardennen

Een vlakte kan mij niet bekoren
zoals dit heuvellandschap doet.
De parallelle, rechte voren,
in zware aarde omgewroet,

bewijzen pas hun lengte goed
wanneer het veld waarin zij sporen
een glooiing kent; alsof een vloed
het land heeft opgestuwd waar koren

en ieder zo vertrouwd gewas,
speels wuivend naar wie rust komt halen,
genoeglijk op de golven deinen.

Ik wil de grond niet waterpas
maar wel met hellingen en dalen
waarin mijn stemmingen weerschijnen.

(2e prijs “Dichter bij de Vlaamse Ardennen, 2008)

Grind


Foto genomen door Marijke Van Welden tijdens mijn voordracht in Den Zwarten Engel

Foto genomen door Marijke Van Welden tijdens mijn voordracht in Den Zwarten Engel


Er knerpen kiezels in mijn hoofd.
Ik wankel in het knarsend grind
op zoek naar rust die ik niet vind
in taal, in denken. Licht gedoofd

omdat de schemer mij belooft
dat hij zal troosten wie hem mint
en ramen dicht opdat de wind
geen schilfer uit mijn denkpad rooft.

Het duister kent dit broze huilen
om struikelstenen, hobbels, kuilen
en sust me tot ik in mijn dromen

geen lanen afgezoomd met bomen,
geen knusse, kronkelige stegen,
maar ’t gaan beschouw en niet de wegen.

Verzinnen

Er liggen veertien regels op de loer.
Ik weet nog niet of zij een valstrik spannen,
misschien mij naar verlegenheid verbannen
om een gedicht dat slechts een woordensnoer

is, zonder inhoud of belang, droog voer,
terwijl in fijner schotels, ranker kannen
de poëzie verlokt tot proeven van een
geraffineerder maal (zoals de Cour

du Nord serveert, zegt Michelin). Ach wat…
wie weet gaat het wel andersom, zodat
de verzen niet proberen míj te vangen

maar dat ik hén verleid. Kom dichterbij,…
kom, luister naar mijn sprakeloos verlangen,
verzin een lied, verzin wat leeft in mij.

Spijt

Mijn kind, waarom liet ik ze zó passeren,
de korte jaren van je kleutertijd,
de lange dagen van het irriteren,
in een onuitgesproken dom verwijt.

Je sliep tussen de lakens van mijn spijt.
’t Is schandelijk en toch durf ik beweren:
misschien was ik je toen zelfs liever kwijt.
Maar blijkbaar valt het moederschap te leren

want nu je met je nieuwe schoenen “jumpt”,
je tippen na een week al zijn versleten,
je door je eerste liefje werd gedumpt

(nog vóór ze wist dat ze iets met je had),
zou ik van ruilen niet meer willen weten,
mijn knappe zoon, mijn liefste kwebbelgat.