Tegendruppels

Ik leg mij toe op staren naar de regen.
Tenminste, als de zon het niet vergalt.
Bij blauwe lucht en witte wolken valt
dit genre staren immers danig tegen.

Nochtans ben ik de zon echt wel genegen
wanneer zij, maanziek, ijle liedjes lalt.
Voor mij zijn die te hoog (ik ben een alt),
dus neurie ik wat schaduw op de wegen.

Terwijl ik ga van schaduwvlek naar vlek,
zie ik de eerste regenplas verschijnen.
De weg te gaan krijgt snel de kleur van pek.

De klamme kilte slaat neer op mijn huid.
Ik ga naar huis, ik open de gordijnen
en staar naar tranen glijdend langs de ruit.

Het groenpoepkuiken

Het groenpoepkuikenIk ben het groenpoepkuiken.
Ik grobbel in het gras,
ik strubbel door de struiken
en plodder op de plas.

Ik ben het groenpoepkuiken,
herkenbaar aan mijn roep,
aan mijn manier van duiken
en aan mijn groene poep.

Ik ben het groenpoepkuiken,
jij slappe bruinkwakhoen!
‘k Laat jou een poepje ruiken
en let wel… het is groen.

Minnetaal

Photo Jeff NelsonDe zoete minnetaal, die haar met hem verbond,
herhaalt hij nimmer meer, ze is verleden tijd.
Gegomd uit ’t manuscript, alsof ze nooit bestond,
gewist uit zijn geheugen, want ook dat verslijt.

Vervloekt de ganzenpen, die hij plots niet meer vond,
of was zijn nieuwe bode soms de weg weer kwijt?
“Hebt gij dan niéts gehoord, uit dez’ of gene mond?”
vraagt zij met zwakke stem aan Pluis, haar kamermeid.

Die spint vol medelij, het kopje in haar schoot.
De deern gooit het mobieltje ergens in een hoek.
Ze werpt zich op het bed en schreit daar zilte tranen.

Verbeten wil zij zich een personage wanen
dat treurend overlijdt in een historisch boek.
Tot plots, een kleine biep… Wie wil er dan nog dood?

(licentie voor gebruik foto)

Zachte begeleiding

bloesjeNet als zoveel studenten zit onze dochter in “den blok”. Dag na dag zit ze plichtsbewust van ’s ochtends tot ’s avonds aan haar bureau te studeren. Ze heeft zich voorgenomen om na haar eerste examen een hele namiddag en avond vrij te nemen. Ze kijkt er al dagen naar uit. Om het plezier nog te vergroten beloof ik dat we naar de solden gaan. De winkels zijn al sedert enkele weken voor-koopjes aan het houden, maar we zijn ervan overtuigd dat er nog een en ander te rapen valt.

Maandag: haar examen is goed verlopen en blij van zin trekken we het winkelcentrum in. Terwijl zij langs de rekken struint, een en al glimlach, roefel ik ook hier en daar in wat afgeprijsde stukken. Even later staan we aan hetzelfde rek en bemerk ik dat ze, naar goede gewoonte tijdens háár wintersolden, een paar kapstokken draagt waaraan lichte zomerbloesjes wapperen. Tijd om in te grijpen.
Lees verder

illusie

plaveien tellen stappen
zij doet ze maal twee
de zon wijst bloemen aan
even blijft ze staan en ruikt
hoe zij in zijn gedachten geurt

samen speuren ze
elk op zijn breedtegraad
naar overvliegend tuig
dat witte winden laat
in het blauw

ze knoopt het vliegertouw
waaraan hun huis
te wapperen hangt
rond haar brievenbus

ze ziet het gordijn bewegen
en zwaait met beide armen
haar schaduw wuift terug